
STFA, 2 december 2014 – De politieke gevangene Othman Mostafa-pour heeft onlangs een brief geschreven aan Ahmad Shaheed waarin hij de gevangenisomstandigheden alsmede de door de Iraanse agenten van het regime uitgeoefende druk op gedetineerden beschrijft. Hier een gedeelte uit dit bericht:
“Mijn naam is Othman Mostafa-pour en ik werd op 14 juli 1991 gearresteerd samen met drie anderen in Orumieh. Vanaf het moment van mijn arrestatie onderging ik gedurende zes maanden een regime van extreme martelingen, beledigingen en seksuele en fysieke mishandeling, en dat bij eenzame opsluiting door de Revolutionaire Garde en het Ministerie van Inlichtingen.
“Nu, 20 jaar later, ben ik zelf verbaasd dat ik dit alles overleefd heb. Op 8 januari 1992 werd ik ter eenzame opsluiting overgeplaatst naar de Centrale Gevangenis in Orumieh. Op 25 januari 1992 werd ik ter dood veroordeeld; ondanks het feit dat mijn familie een advocaat voor mij had ingeschakeld, werd deze niet tot de rechtszitting toegelaten en kreeg ik een advocaat van staatswege toegewezen. Ik verbleef twee volle jaren in eenzame opsluiting in de gevangenis – ook wel aangeduid als de quarantaine – en onderging daarbij martelingen en beledigingen. Van 1993 tot 1995 zat ik vast in de politieke afdeling van de Tabriz-Gevangenis. Ik zal nooit vergeten dat ze onze hoofden schoren als straf voor de bomaanslagen op het Imam-Reza-schrijn, en drie maanden lang mochten we geen bezoek ontvangen, werden we niet gelucht en mochten zelfs niet douchen. Het was echt een vreselijke tijd. Tijdens die drie maanden begonnen alle gedetineerden aan schimmel- en andere huidziektes te lijden. Ik zal het beter maar niet hebben over knaagdieren en luizen … In 1995 werd ik opnieuw naar de Orumieh-Gevangenis overgebracht. Daar werd ik voor de rechter gebracht en zonder enige reden werd ik geconfronteerd met de beschuldiging van moord. Omdat ik niets wist van een beschuldiging op dit punt, verklaarde ik tegenover de rechter dat ik me nergens bewust van was, alhoewel ik nog tot 2000 met dit probleem geconfronteerd werd. In dat jaar werd ik geïnformeerd dat ik tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld werd wegens deelname aan een moord. Een paar maanden later, toen ik blij was nog maar een paar maanden van mijn vonnis te moeten uitzitten en een jaar later vrij te komen, werd ik weer niet geïnformeerd en voor de revolutionaire rechtbank gesleept. Daar werd ik tot 15 jaar veroordeeld omdat ik lid was van de Democratische Partij; een rechtszaak waarbij ik geen advocaat naast me had en zelfs nooit de gelegenheid kreeg om mezelf te verdedigen. Het hele bewijs waren alleen papieren die de ondervragers mij toedichtten terwijl ze mij sloegen met vuisten, voeten, kabels, en één van hen kreeg een vinger van mij te pakken om een ‘stempel’op het papier, zijnde mijn bekentenis,te zetten.
“Terwijl ik deze brief schrijf in december 2011, na een verblijf van 20 jaar en 4 maanden in de gevangenis, heb ik geen enkele keer toestemming gekregen de gevangenis te verlaten, terwijl ik in die tijd mijn moeder, broer en zuster verloren heb, en ik mocht zelfs niet naar hun begrafenis, alhoewel het gevangenisreglement dit toestaat. Ze moeten mij nog steeds mijn uiteindelijke straf officieel en schriftelijk meedelen.
“Nu vraag ik de Speciale UNO-Verslaggever niet alleen zich voor mijn vrijlating in te zetten, maar ook te verhinderen dat andere jongeren in dit land dergelijk onrecht ondergaan.
“Wat ik geschreven heb, is slechts een topje van de ijsberg met betrekking tot de wreedheden die ik in eenzame opsluiting en in de gevangenis doorstaan heb. Alhoewel ik mogelijk wederom in eenzame opsluiting gevangengezet en verhoord word wegens het schrijven van deze brief, is het voor mij voldoende dat een klein stuk van de wreedheid en het onrecht, mij en andere gedetineerden van de Islamitische Republiek aangedaan, door u en andere mensen van mijn land gehoord wordt.
Met eerbiedige hoogachting,
Othman Mostafa-pour
Orumieh-Centrale Gevangenis
Verzonden naar:
UNHRC
Speciale UNO-Verslaggever voor de Mensenrechten in Iran
Menserechtencommissie van de Europese
Amnesty International

