Steun ons werk, maak vandaag het verschil. Juist nu is uw steun belangrijker dan ooit.

Mijn vriend is dood, maar zijn droom leeft verder

“Mijn vriend is dood. Maar zijn droom leeft verder.”

Geluiden uit Camp Liberty: een brief over het lot van de Iraanse dissident Taghi Abbasian, die de medische blokkade tegen de mensen in Camp Liberty in Irak niet overleefde.

In het interneringskamp Camp Liberty in de buurt van Bagdad moeten zo’n 3000 Iraanse asielzoekers, onder wie 1000 vrouwen, elke dag vrezen voor hun leven. Als fervente tegenstanders van extremisme en fanatisme lopen ze gevaar te worden aangevallen door extremistische terroristische groeperingen, die in Irak opereren in opdracht van het regime in Teheran. Tegelijkertijd worden de Iraanse ballingen gekweld door uitputtende mensenrechtenschendingen van de Iraakse troepen die de controle hebben over Camp Liberty. We ontvangen alarmerende berichten uit het kamp, vooral over de wrede medische blokkade, die steeds meer slachtoffers onder de vluchtelingen eist. Hieronder een brief van de Iraanse balling Habib Baradaran uit Camp Liberty:

De dag dat ik in Camp Liberty hoorde dat mijn dierbare vriend Taghi Abbasian (foto) was overleden zal ik nooit vergeten. Het was 18 september 2014, en als er ooit een vreselijke dag is geweest, dan was het deze. Ik rende naar de ziekenboeg van het kamp en vond hem in de injectieruimte, hij lag op een bed en was met een lichtblauw laken bedekt. Ik kon nog steeds niet geloven dat hij niet meer leefde. Ik schoof het laken voorzichtig opzij en keek naar zijn gezicht.

Hoewel ik er zeker van was dat het Taghis lichaam was dat daar voor me lag, leek zijn gezicht me toch vreemd toe. Steeds als ik hem de laatste tijd zag was zijn gezicht vertrokken van de pijn geweest – als blijk van de extreme pijn die hij leed. Na maanden van onbeschrijfelijke pijn leek hij nu voor de eerste keer rust gevonden te hebben.


Taghi Abbasian werd in 1952 geboren in Mashhad, in het noordoosten van Iran. Zijn vader was buschauffeur, zijn moeder lerares. In 1974 ging Taghi werktuigbouwkunde studeren aan de Hogeschool voor Wetenschap en Industrie in Teheran. Tegelijkertijd gaf hij les in wiskunde op een middelbare school in het twaalfde district van Teheran. Taghi stond bekend om zijn naastenliefde. Op zijn vrije dagen collecteerde voor de daklozen en armen, en hij besteedde zijn meeste tijd aan het helpen van noodlijdende mensen. Hij droomde van een leven in een vrij en democratisch land en was actief betrokken bij de massale protesten die in Iran leidden tot de revolutie en de omverwerping van de Sjah in 1979.

Na de revolutie werden Taghis dromen van vrijheid en democratie verraden door het regime van Khomeini. Hij was geschokt toen hij zag dat de heersende mullahs een regering vormden op basis van het islamitisch fundamentalisme en geleidelijk uit naam van religie en God het volk van Iran elke vorm van vrijheid ontnamen.

Taghi was vooral geschokt over de behandeling van vrouwen en meisjes onder het repressieve regime van de mullahs. Hij vertelde mij een keer hoe hij begin 1980 in Teheran een aantal jonge vrouwen tegenkwam, die door de militie van het regime waren omsingeld en bedreigd omdat ze de strikte kledingvoorschriften van de mullahs hadden geschonden. Hij probeerde in te grijpen en hen te helpen, maar werd zwaar mishandeld door de kwelgeesten van de meisjes.

Taghi had meer van zulke ervaringen, toen het mullah regime optrad tegen minderheden, studenten, de media en het land geleidelijk de laatste vrijheden afpakte. Hij was vooral actief op de universiteit waar hij studeerde en op de middelbare school waar hij lesgaf. Zijn jonge leerlingen onderwees hij dat vrijheid een onvervreemdbaar recht is van ieder mens en dat men door verzet en vastberadenheid moet ingaan tegen de onderdrukking. Al gauw werd hij door zijn leerlingen en medestudenten bewonderd om zijn toegewijde inzet voor de vrijheid.

Het was onvermijdelijk dat hiervoor een prijs betaald moest worden. Steeds weer probeerden aanhangers van het regime hem te intimideren en hem van zijn idealen af te brengen. Knokploegen van het regime vielen hem aan en verscheurden de papieren, posters en boeken die hij bij zich had en die hij uitdeelde om de mensen te informeren over vrijheid en democratie. Ze loerden op hem en hij werd herhaaldelijk in elkaar geslagen en zelfs op valse beschuldigingen gearresteerd en in de gevangenis gezet.

“Ze denken dat ze onze dromen kunnen vernietigen”, zei hij eens tegen zijn vrienden op de universiteit, toen zij bij het volledig vernielde boekenstalletje stonden dat door een stel schurken was verwoest, “maar ik zal ze laten zien dat ze dat niet kunnen.” En met die woorden begon hij de spullen weer op te ruimen en het kraampje weer op te bouwen.


In 1981 toonde Khomeini uiteindelijk zijn ware gezicht en beval in een zogenaamd religieus decreet het uitroeien van alle bewegingen en organisaties die zich inzetten voor vrijheid en democratie, evenals het executeren van politieke gevangenen. Taghi, die felle kritiek had op het repressieve beleid van het regime, werd nu gedwongen om onder te duiken – altijd op de vlucht voor zijn achtervolgers.

Vijf jaar lang kon Taghi ontsnappen aan de repressieve Revolutionaire Garde van het Iraanse regime. Veel van zijn vrienden hadden minder geluk. In die tijd werden in heel Iran mensen, die zich voor de vrijheid inzetten, massaal vervolgd. Het regime heeft duizenden van hen gearresteerd, gemarteld en geëxecuteerd.

Ondanks de gevaren waaraan hij was blootgesteld, was Taghi toen zeer actief. Hij was een belangrijk lid van een netwerk van activisten, die bewijsmateriaal van de mensenrechtenschendingen die het Iraanse regime beging verzamelden, documenteerden en het land uit smokkelden om aan de wereld te tonen welke tragedies zich in Iran afspeelden.

Taghi was steeds op de vlucht, maar hij was de regimegardisten altijd een stap voor. Hij bracht de nachten door op bankjes in het park, onder bruggen en in duistere steegjes, of hij verscheen plotseling bij een familielid, om daar een paar uur te slapen voordat hij voor zonsopgang weer verdween.

Zelfs als vluchteling, toen hij zelf meer dan genoeg problemen gehad, hield hij niet op met de armen te helpen, en gaf wat hij maar bij elkaar had kunnen krijgen aan de behoeftigen in de sloppenwijken van Zuid-Teheran.


Met een bezwaard hart verliet Taghi uiteindelijk zijn vaderlandland en vluchtte in ballingschap. In 1986 verliet hij Iran en kwam naar de nederzetting Ashraf in Irak, een toevluchtsoord voor dissidenten zoals hij. Ashraf was toen een kaal stuk grond met een paar verspreide gebouwen en weinig vegetatie.

Omdat hij zelf echter de brute onderdrukking van het regime van de mullahs uit de eerste hand had ervaren, was Taghi dankbaar dat er een plek was waar vervolgden in vrijheid konden leven. En door hard werken bouwden Taghi en duizenden andere vluchtelingen een stad, voorzien van alle faciliteiten, die uitgroeide tot een symbool van hoop.

Taghi werd later verpleegkundige en won het respect en de bewondering van de mensen in Ashraf wegens zijn zorgzame en gulle aard en zijn inspanningen om het lijden en de pijn van anderen te verlichten.


In 2003 kwam Ashraf onder toezicht van het Amerikaanse leger, dat de bewoners bescherming beloofde op grond van de Vierde Conventie van Genève. In 2009 besloot de Amerikaanse regering om de bevoegdheid voor de stad over te dragen aan de Iraakse premier Nouri al-Maliki, een trouwe bondgenoot van het Iraanse regime. Dat was een schending van de afspraken en beloften van de Verenigde Staten, en het bracht ons leven in Ashraf in gevaar. Ondanks de vele protesten van bewoners en mensenrechtengroeperingen werden de Amerikaanse troepen, die tot dan de bescherming van Ashraf voor hun rekening namen, terug getrokken.

Ashraf in april 2011: bloedbad onder weerloze Iraanse vluchtelingen

Kort daarna vielen Iraakse troepen, hiertoe aangezet door het regime van Teheran, ons aan in Ashraf waarbij meerdere malen een bloedbad werd aangericht. Tal van weerloze vluchtelingen verloren het leven.

De aanslagen door honderden gewapende mannen op de ongewapende, belegerde inwoners van Ashraf waren beestachtig. Bij een van die aanvallen bewees Taghi, die toen verpleegkundige en ambulancechauffeur was, wederom zijn moed. Toen de Iraakse aanvallers enkele bewoners, die ernstig gewond waren en niet weg konden komen, met pantservoertuigen omsingelden, draaide Taghi zijn auto dapper naar deze mensen en redde deze mannen en vrouwen. Hij raakte werd gewond bij deze actie, maar zodra hij de gewonden naar het ziekenhuis in Ashraf had gebracht, keerde hij terug om anderen te zoeken die hulp nodig hadden.

De Iraakse regering schroefde in toenemende mate de druk op de Iraanse ballingen in Ashraf op en legde strenge beperkingen op onze logistieke en medische zorg. Taghi, die intussen aan een hart- en vaatziekte leed, werd vooral getroffen door de medische blokkade. Zijn gezondheid verslechterde snel.


In 2012 werden Taghi en de andere bewoners van Ashraf overgeplaatst naar Camp Liberty in de buurt van Bagdad. We vertrouwden daarbij op de toezeggingen van de Verenigde Naties en de Verenigde Staten, volgens welke we daar gespaard zouden blijven van verdere represailles en bloedbaden. De fundamentele rechten van de mens, die ons tot dan toe onthouden waren door de Iraakse regering, zouden daar gerespecteerd worden. Deze toezeggingen werden echter niet nagekomen.

Intussen was de gezondheid van Taghi verder verslechterd. Taghi wist niet dat hij leed aan MND, een ziekte die het zenuwstelsel en het functioneren van de spieren aantast. In zijn geval werden de luchtwegen aangetast, zodat hij in een pijnlijke toestand was van voortdurend bijna stikken, die duurde tot het uiteindelijk tot een ademhalingsstilstand kwam. Pas na een maanden durende opzettelijke vertraging door de Iraakse militairen kon Taghi in een Iraaks ziekenhuis worden onderzocht. Hij werd gediagnosticeerd toen de ziekte al in de laatste fase was.

Zelfs daarna weigerde het Iraakse leger hem een adequate behandeling te laten ondergaan die zijn lijden had kunnen verlichten, en zo was de situatie tot aan zijn dood.

En toch vergat hij tijdens de laatste maanden van zijn leven, toen hij de strijd tegen de dodelijke ziekte verloor, zijn eigen pijn als hij hoorde dat een van zijn vrienden of medebewoners hulp nodig had, en hij deed wat hij kon om anderen te helpen.


Toen ik die septembermorgen naast mijn dode vriend stond, dacht ik in tranen aan de wrede ironie achter Taghis lot: deze man, die zijn hele leven onvermoeibaar was om het lijden van anderen te verlichten en om levens te redden, had nu zelf zoveel moeten lijden en zijn leven verloren.

Ik weet nog hoe ik hem voor de laatste keer zag, een paar dagen voor zijn dood. Hij ademde snel en met moeite, en tussen de ademhalingen door beschreef hij hoe de Iraakse troepen, die toezicht houden op Camp Liberty, hem en andere patiënten erger dan gevangenen behandelden. Hij zei dat elke poging om een vergunning te krijgen om een arts te bezoeken, voor hem was uitgegroeid tot een marteling.

Ik herinner me dat Taghis gezondheid zes maanden eerder snel was verslechterd en dat de artsen in het kamp erop aandrongen dat hij dringend buiten het kamp behandeld moest worden. Toen hij een afspraak voor een MRI in een ziekenhuis Bagdad had, hebben de Iraakse militairen de ambulance opzettelijke bij de uitgang van het kamp tegengehouden. Toen Taghi uiteindelijk uren te laat bij het ziekenhuis aankwam was de betreffende afdeling al gesloten.

Een andere keer, het was een bijzonder warme zomerdag, lieten de Iraakse militairen Taghi opzettelijk urenlang buiten in de hitte wachten voordat ze hem naar het ziekenhuis lieten gaan. Toen hij daar eindelijk arriveerde was hij uitgeput en buiten adem door de extreme hitte. Toen de dokter hem zag, zei hij dat Taghis toestand niet toeliet het geplande onderzoek te ondergaan, en hij stuurde hem na een vermoeiende en vruchteloze reis terug naar het kamp.


De afgelopen maanden zijn bijzonder moeilijk geweest voor Taghi, omdat de Iraakse troepen – in opdracht van het regime in Teheran – de repressie tegen ons bewoners van Camp Liberty opvoerde en de levering van brandstof, voedsel en medicijnen geweigerd werd. Zonder brandstof werken de generatoren niet, die de enige energiebron van het kamp zijn, en dus waren we weerloos overgeleverd aan de extreme hitte van de Iraakse zomer. De temperatuur steeg tot ongeveer 50 graden en er was nauwelijks genoeg stroom om de airconditioning van de barakken, zelfs voor een paar uur, aan de gang te houden.


Als Taghi de noodzakelijke behandeling van de artsen gekregen had, had hij zeker niet zoveel pijn hoeven lijden, en hij zou zeker nog minstens enkele jaren geleefd hebben.

Terwijl ik daar in stilte stond, over Taghis levenloze lichaam gebogen, herinnerde ik me de momenten die ik samen met mijn vriend heb gehad, ik proefde elk ogenblik daarvan en dacht hartstochtelijk aan kleinigheden, die vroeger niet van belang leken, maar nu waardevolle relieken waren die ik wilde bewaren en koesteren. Dit zou nooit hebben mogen gebeuren, dacht ik. Als ze je een medische behandeling hadden toegestaan zoals ieder vrije burger krijgt, dan was je nu nog steeds bij ons.

Wat Taghis dood voor mij nog pijnlijker maakt, is dat het zo makkelijk voorkomen had kunnen worden als de VN en de VS hun verplichtingen jegens ons waren nagekomen.

Toen we vanuit Ashraf, waar we al 25 jaar woonden, naar Camp Liberty werden gebracht, voelde ik me opgelucht. Zelfs als de omstandigheden in het kamp nogal overeenkwamen met die van een gevangeniskamp, was er voor ons geen reden om te vrezen dat onze zieken gekweld zouden worden tot de dood erop volgde. De VS en de VN-missie in Irak hadden de zaak in de hand. VN-functionarissen hadden samen met de Iraakse regering een memorandum van overeenstemming ondertekend, waarin werd afgesproken dat we gratis toegang tot medische zorg zouden krijgen. VN- en VS-waarnemers, zo kregen we te horen, zouden voortdurend in het kamp zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van de bewoners werden nageleefd.

Ondertussen zijn echter bijna drie jaar verstreken en veel patiënten hebben hun leven verloren door de aanhoudende onmenselijke medische blokkade. Taghi Abbasian was het 21ste dodelijke slachtoffer van deze blokkade, die alleen maar kan worden omschreven als een misdaad tegen de menselijkheid.


Ik heb gezien hoe ze zijn lichaam op een brancard legden en meenamen naar het mortuarium. Ik nam in stilte afscheid van mijn dierbare vriend en de tranen liepen langzaam over mijn gezicht. Ik moest denken aan de gezichten van tientallen andere patiënten in Camp Liberty. “Wie van hen zal de volgende zijn?”, dacht ik.

Als deze verschrikkelijke situatie voortduurt, zullen zeker meer van mijn medebewoners hun leven verliezen, tenzij de internationale gemeenschap niet zal toestaan dat onze kwelgeesten bepalen hoe we leven en wanneer we sterven.

Wat er ook gebeurt, we laten ons niet ontmoedigen en zullen nooit de idealen opgeven waarvoor Taghi Abbasian zijn leven gaf. Mijn vriend is dood, maar zijn droom -. de lente van vrijheid en democratie in ons mooie land Iran – die droom leeft voort.

Donate and support us
ING Bank
NL 76 INGB 000 3012 442

Share
Share